Controle op de regering
De praktisch belangrijkste vorm van controle op de regering oefent het parlement in principe uit op het ogenblik dat over de jaarlijkse staatsbegroting gestemd wordt. Bij controle op de staatsuitgaven en op de staatsinkomsten wordt het parlement bijgestaan door het Rekenhof. De Kamer der Volksvertegenwoordigers heeft een onbeperkt rechtop de aanwezigheid van de ministers te vorderen. De Senaat kan dit slechts beperkt.
De rol van de regering beperkt zicht ten opzichte van de Senaat tot het geven van toelichtingen bij de ontwerpen en voorstellen die in de Senaat tot behandeling zijn. De Senaat kan geen interpellatie met een motie tot de regering richten.
De leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers daarentegen kunnen wel de politieke verantwoordelijkheid van een minister of van een regering ter discussie stellen. Hiertoe kunnen ze een vertrouwensstemming uitlokken. Dit gebeurt meestal door het interpelleren van de (eerste) minister. Een interpellatie houdt in dat een minister door het parlement ter verantwoording geroepen wordt over zijn beleid of een onderdeel ervan. De minister moet op de opmerkingen van de interpellant antwoorder. Na de interpellatie legt de interpellant een motie(= voorstel) neer waarover wordt gestemd.
De federale regering kan slechts tot ontslag worden gedwongen wanneer de Kamer ofwel een motie van wantrouwen aanneemt, ofwel een motie van vertrouwen verwerpt. De ministers zijn verplicht om binnen de twee weken te antwoorden op de vragen die hun door een parlementslid zijn gesteld, zijn deze vragen louter informatie van aard: men wil informatie krijgen over het beleid. Van de mogelijkheid om vragen te stellen wordt frequent gebruik gemaakt: ongeveer 500 vragen per maand in de Kamer. Het houden van interpellaties komt uiteraard niet zo vaak voor. De Kamer en Senaat kunnen ook nog een onderzoekscommissie aanstellen, die zeer belangrijke aangelegenheden onderzoekt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten